(een fles water uit de koelkast pakken)
Ik haal een fles water uit de koelkast.
De lege flessen staan bij de voordeur.
Gooi de lege fles in de glasbak op de hoek.
De fles viel van de tafel en brak in honderd stukken.
Heb jij de fles azijn weer in de kast teruggezet?
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(een fles wijn openmaken voor het eten)
Ze hebben samen een hele fles wijn gedronken.
Voor het feest kopen we drie flessen champagne.
Bij dit diner hoort een goede fles rode wijn.
Wij hebben gisteren drie flessen bier gedronken op het terras.
(een baby de fles geven)
De baby krijgt om zeven uur zijn fles.
Ze geeft haar zoon al drie maanden de fles.
De jonge moeder maakt elke drie uur een nieuwe fles klaar.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.