Ik hou ervan om te fruiten.
ik
Ik fruit elke ochtend.
jij / je, u
Jij fruit graag in de zomer.
hij, zij / ze, het
Hij fruit regelmatig met zijn vrienden.
wij / we, jullie
Wij fruiten vaak samen.
Ik fruitte vorig jaar veel.
Jij fruitte vroeger met je ouders.
Zij fruitte gisteren ook.
Wij fruitten samen in het park.
Ik heb veel gefruit deze week.
De fruitende mensen werken samen.
Ik zie de fruitende kinderen spelen.
Het is belangrijk dat jij fruite.
Fruit goed voordat je gaat eten.