Conjunction

Basic Usage

gelijk
"Hij is gelijk aan zijn broer."

coordinating - zoals, op dezelfde manier als

Usage Patterns

  • comparative

    "Zij is gelijk aan haar moeder."

    [Subject] + [Verb] + gelijk + [noun/phrasal complement] - Hier vergelijk je twee dingen met 'gelijk'.

  • simultaneity

    "Hij zegt het gelijk, dat hij het weet."

    [Verb] + gelijk + [verb clause] - Hier betekent 'gelijk' 'tegelijkertijd'.

Word Order

  • gelijk + [verb clause]

    "Ze leest gelijk het boek, terwijl hij slaapt."

    De volgorde blijft redelijk standaard, met 'gelijk' na het onderwerp maar voor de bijzin.

  • [verb clause] + gelijk + [verb]

    "Zij danst gelijk met de muziek."

    Deze volgorde laat de vergelijking voorop staan.

Common Combinations

  • gelijk aan

    "Deze situatie is gelijk aan de vorige."

    De combinatie geeft aan dat twee dingen vergelijkbaar zijn.

  • gelijk geven

    "Hij geeft gelijk aan de andere mening."

    Hier wordt 'gelijk geven' gebruikt om toestemming of acceptatie uit te drukken.

Important Notes

  • usage:'Gelijk' kan zowel voor vergelijking als simultaneiteit gebruikt worden.
  • syntax:Gebruik 'gelijk' voor het introduceren van vergelijkingen.
  • register:Gebruik 'gelijk' in zowel formele als informele situaties.