(een product, prestatie of stuk werk beoordelen)
Dit boek is goed geschreven en heeft een spannend verhaal.
Zij doet goed werk in haar functie als lerares.
De film was echt goed, ik raad hem zeker aan.
Deze koffie is beter dan die van gisteren.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(over hoe iemand zich lichamelijk voelt)
Hij voelt zich goed na de behandeling.
Ze is goed hersteld van haar operatie.
Hoe gaat het? — Goed hoor, en met jou?
(iets loopt af zoals gehoopt)
De vergadering is goed verlopen volgens de rapporten.
Hun plan heeft goed gewerkt en ze behaalden zoveel winst.
Het examen is goed gegaan, ik ben geslaagd.
Het kwartaal is goed afgesloten met stijgende omzet.
(het gedrag van een persoon tegenover anderen)
Het is goed om anderen te helpen wanneer je kunt.
Zij heeft een goed hart en helpt vaak in de buurt.
Dat is goed van je, bedankt voor je hulp.
Hij deed goed door voor zijn oma te zorgen.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.