Ik houd van gokken in mijn vrije tijd.
Gokkend aan de tafel, vergat hij de tijd.
De gokkende mannen waren zeer geconcentreerd.
Hij zit gokkend aan de bar.
De gokkende mensen in het casino lachen veel.
ik
Ik gok altijd op een goed resultaat.
jij / je
Jij gokt te veel tijdens het spel.
u
U gokt misschien te vaak.
hij
Hij gokt altijd als hij moe is.
zij / ze
Zij gokt niet graag op wedstrijden.
het
Het gokt soms goed, zie je.
wij / we
Wij gokken altijd samen met vrienden.
jullie
Jullie gokken vaak verkeerd.
Ik gokte op de verkeerde getallen.
Jij gokte beter dan ik dacht.
U gokte eerder al een keer verkeerd.
Hij gokte op de rang van de wedstrijd.
Zij gokten allemaal in het casino.
Wij gokten samen in de pub.
Jullie gokten nooit te laat.
Ik heb gegokt op de uitkomst.
Als ik maar gokke dat het gaat lukken!
Gok goed en win de prijs!
Gokt niet te hoog alsjeblieft.