Ik heb een bal om te gooien.
De jongen is gooiend met de bal.
De gooiende spelers waren erg goed.
ik
Ik gooi de bal naar jou.
jij / je, u
Jij gooit de bal over het net.
zij / ze, hij
Hij gooit de krant in de brievenbus.
wij / we, jullie
Wij gooien de waterballonnen.
Ik gooide de bal ver.
Jij gooide de lichtjes aan.
hij, zij / ze
Zij gooide de schaduw weg.
Wij gooiden het afval in de prullenbak.
De bal is gegooid door de jongen.
Ik hoop dat je gooie denkt aan ons spel.
Gooi de bal naar mij!
Gooi de vuilnis alstublieft weg! (U-vorm)