hebben
werkwoord
Ik wil graven in de tuin.
De kinderen zijn gravend aan het spelen.
De gravende dieren zochten naar voedsel.
ik
Ik graaf een gat voor het planten van een boom.
jij / je, u
Jij graaft in de tuin.
wij / we, jullie
Wij graven een put om regenwater op te vangen.
Ik groef een groot gat in de tuin.
wij / we
Wij groeven samen in het zand.
De put is gegraven door de aannemer.
Ik wens dat jij grave naar het verleden.
jij / je
Graaf die plek op!
u
Graaf de aarde voorzichtig.