Om te grommen als je boos bent, is normaal.
De hond is grommend naar de vreemde.
De grommende kat zat op de vensterbank.
ik
Ik grom als ik niet blij ben.
jij / je, u
Jij gromt als je erg boos bent.
hij, zij / ze, het
Hij gromt als hij zich ongemakkelijk voelt.
wij / we, jullie
Wij grommen als we samen niet eens zijn.
Ik gromde toen ik de slechte cijfers kreeg.
Jij gromde gisteren in de tuin.
Zij gromde toen ze de hond zag.
Wij gromden samen toen het erg koud was.
De hond heeft al gegromd voordat het feestje begon.
Gromme niet alsjeblieft!
Grom als je het begrijpt!