(beleefde of formele benaming voor een man)
Die heer bij de bar heeft mijn jas meegenomen.
Dames en heren, welkom bij deze bijeenkomst.
Een heer met een hoed staat bij de ingang.
Er wachten twee heren op u in de hal.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(formele aanspreekvorm in brieven of op het werk)
De heer Jansen heeft net gebeld.
Kunt u dit doorgeven aan de heer De Vries?
Kunt u mij doorverbinden met de heer Bakker?
(iemand met gezag in een huis of bedrijf)
Hij is heer en meester in zijn eigen bedrijf.
De heer des huizes doet zelf de deur open.
In dit huishouden is zij heer en meester.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.