(over aantal of hoeveelheid)
Er waren een heleboel mensen op het feest.
Ik moet nog een heleboel dingen doen voordat ik op vakantie ga.
Een heleboel kinderen speelden in het park.
Mijn oma bewaart een heleboel oude foto's op zolder.
We hebben vorig jaar een heleboel geld uitgegeven aan de verbouwing.
Joh, dat scheelt een heleboel gedoe!
Welke zin inspireerde dit schilderij?
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.