(praten over wat iemand in zijn vrije tijd graag doet)
Tuinieren is mijn favoriete hobby.
Mijn vader heeft veel hobby's: fietsen, koken en vogels spotten.
Wat is jouw hobby?
Mijn zus heeft een nieuwe hobby: ze leert gitaar spelen.
Kinderen hebben tegenwoordig zoveel hobby's dat er nauwelijks tijd overblijft om te spelen.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(benadrukken dat iets geen werk of serieuze zaak is)
Hij schildert alleen als hobby, niet om geld mee te verdienen.
Voor haar is fotograferen een hobby gebleven.
Koken is meer dan alleen een hobby voor hem.
Vroeger was vissen zijn grootste hobby, maar nu heeft hij er geen tijd meer voor.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.