Je hoeft niets te doen als je niet wilt.
ik
Ik hoef niet naar de winkel te gaan.
jij / je
Jij hoeft geen zorgen te maken.
u
U hoeft niet te haasten.
hij
Hij hoeft zich niet druk te maken.
zij / ze
Zij hoeft niet deel te nemen aan de vergadering.
het
Het hoeft niet perfect te zijn.
wij / we
Wij hoeven geen toestemming te vragen.
jullie
Jullie hoeven je geen zorgen te maken.
Ik hoefde gisteren niet naar school.
Jij hoefde niet te helpen.
U hoefde dit jaar niet te betalen.
Hij hoefde echt niets te doen.
Zij hoefden niet te wachten.
Wij hoefden niet op tijd te zijn.
Jullie hoefden je geen zorgen te maken.
Ik heb het al gedaan zonder dat je het hoefde.
Hoovend aan de lijn, lijkt het makkelijk.
Als je maar hoeft, hoeve ik niet te komen.
Hoef een andere optie niet in te geven.
Hoeft daar niet veel van te verwachten.
Ik heb niet hoeven denken aan het verleden.
voltooid deelwoord, indicatief