Ik wil hogen om mijn kennis te verbeteren.
De student is hogend met de oefeningen.
Hogende mensen horen vaak complimenten.
ik
Ik hogen elke dag mijn motivatie.
jij / je
Jij hoogt goed in de interactie.
u
U hoogt altijd helder in zijn uitleg.
hij, zij / ze, het
Hij hoogt in zijn prestaties.
wij / we
Wij hogen ons niveau regelmatig.
jullie
Jullie hoogt altijd samen met elkaar.
Ik hoogde vorige week mijn cijfers.
Jij hoogde toen ook je verwachtingen.
U hoogde vorig jaar uw resultaten.
Hij hoogde zijn prestaties vorige maand.
Wij hoogden onze stemmen tijdens de discussie.
Jullie hoogden vorig jaar samen het project.
Het doel is gehoogd door het team.
Dat hij hoge doelen stelt is belangrijk.
Hoog je stem als je meer aandacht wilt.