🇬🇧

Hopen

Auxiliary verb

hebben

regelmatig werkwoord

Het werkwoord 'hopen' drukt een wens of verwachting uit voor iets dat nog niet zeker is. Het wordt vaak gevolgd door 'dat' of 'op'.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

  • zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik hoop dat je morgen kunt komen.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Wij hoopten dat het niet zou regenen tijdens de picknick.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Heb je gehoopt op een snelle reactie?

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Hopend op een betere toekomst, werkte hij hard aan zijn studie.

    tegenwoordig deelwoord, deelwoord

  • Men hope dat de crisis snel voorbij zal zijn.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.