Ik wil het hout houwen.
Ze is houwend aan het werk.
De houwende bomen zijn sterk.
ik
Ik houw een nieuwe deur.
jij / je
Jij houwt het materiaal goed.
u
U houwt met precisie.
hij
Hij houwt het hout zorgvuldig.
zij / ze
Zij houwt de akker om.
het
Het houwt niet zoals verwacht.
wij / we
Wij houwen onszelf voort.
jullie
Jullie houwen de plannen verder uit.
Ik hieuw afgelopen week een boom.
Jij hieuw de takken kort.
U hieuwt de planken met zorg.
Hij hieuw vroeger veel hout.
Zij hieuw ook een keer.
Wij hieuwen de bomen in het bos.
Jullie hieuwen samen een pad.
Het hout is gehouwen door de vakman.
Houw de takken af!
Houwt het gras kort!
Moge hij goed kunnen houwe.