Ik weet niet wat ik moet ingaan voor dit project.
De ingaande telefonen geven aan dat er iemand belt.
De ingaande berichten kwamen te laat binnen.
Hij is ingegaan op mijn voorstel.
ik
Ik ga in een nieuw avontuur.
jij / je
Jij gaat in de zaal zitten.
u
U gaat in de rij staan.
hij
Hij gaat in zijn kamer werken.
zij / ze
Zij gaat in de nieuwe film spelen.
het
Het gaat in het boek over liefde.
wij / we
Wij gaan in de lente op vakantie.
jullie
Jullie gaan in de volgende ronde.
Wij gingen in de trein zitten.
Jij ging in de ochtend vroeg weg.
U ging in dat moment rustiger met de situatie om.
Hij ging in het woelige gesprek staan.
Zij ging in de file staan.
Het ging in het verhaal over een koning.
Jullie gingen in de zomer op een reis.
Ga in de rij staan voor het concert!
Ik hoop dat je ga in de juiste keuze maken.
Als hij maar inga wat ik zeg!