Jeuken
VerbAuxiliary Verb
hebben
werkwoord
Het werkwoord 'jeuken' beschrijft een vervelende sensatie op de huid.
Infinitief
Ik kan niet stoppen met jeuken.
Tegenwoordig deelwoord
De honden zijn jeukend door de vlooien.
Ik heb een jeukende huid door de allergie.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik jeuk als ik in het gras ben.
jij / je, u
Jij jeukt van de muggenbulten.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij jeuken altijd in de zomer.
Verleden tijd
ik
Gisteren jeukte mijn hand veel.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij jeukten na het wandelen in het gras.
Voltooid deelwoord
Ik heb veel gejeukt deze week.
Aanvoegende wijs
Als ik jeuk heb, hoop ik dat het snel voorbijgaat.
Gebiedende wijs
Jeuk niet op die plek!