Ik wil leren hoe ik moet keren.
De auto is kerend terug naar het beginpunt.
Hij heeft de situatie gekeerd tot iets positiefs.
ik
Ik keer snel naar huis.
jij / je
Jij keert terug naar je thuisland.
u
U keert later terug.
hij
Hij keert terug van zijn reis.
zij / ze
Zij keert terug naar haar school.
het
Het voertuig keert om in de straat.
wij / we
Wij keren elke zomer weer terug.
jullie
Jullie keren vaak met de bus terug.
Ik keerde om toen ik de fout zag.
Jij keerde vroeg terug van je werk.
U keerde zich om naar de vragensteller.
Hij keerde met zijn fiets terug.
Zij keerde weg van de menigte.
Het schip keerde terug naar de haven.
Wij keerden tevreden huiswaarts.
Jullie keerden vol vertrouwen terug.
Zij keerden zich om in de richting van de lichten.
Ik hoop dat jullie kere snel terug.
Keer om en ga terug!