Ik wil kermen als ik pijn heb.
De kermende kinderen zijn te horen in de hele buurt.
Het kermende verdriet van het kind was ontroerend.
Hij heeft hard gekermd toen hij viel.
ik
Ik kerm als ik pijn heb.
jij / je, u
Jij kermt als je schrikt.
hij, zij / ze, het
Hij kermt elke keer als hij in het donker is.
wij / we, jullie
Wij kermen als we te vallen komen.
Ik kermde toen ik viel.
Jij kermde ook toen het gebeurde.
Hij kermde de hele nacht door.
Wij kermden samen om het verlies.
Als ik dat zo hoor, hoop ik dat jij ook kermd.
Kerm niet zo hard, het is laat!