Kermen
VerbInfinitief
Ik wil kermen als ik pijn heb.
Tegenwoordig deelwoord
De kermende kinderen zijn te horen in de hele buurt.
Het kermende verdriet van het kind was ontroerend.
Voltooid deelwoord
Hij heeft hard gekermd toen hij viel.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik kerm als ik pijn heb.
jij / je, u
Jij kermt als je schrikt.
hij, zij / ze, het
Hij kermt elke keer als hij in het donker is.
wij / we, jullie
Wij kermen als we te vallen komen.
Verleden tijd
ik
Ik kermde toen ik viel.
jij / je, u
Jij kermde ook toen het gebeurde.
hij, zij / ze, het
Hij kermde de hele nacht door.
wij / we, jullie
Wij kermden samen om het verlies.
Aanvoegende wijs
Als ik dat zo hoor, hoop ik dat jij ook kermd.
Gebiedende wijs
Kerm niet zo hard, het is laat!