Auxiliary verb
hebben
transitief, reflexief en intransitief; neemt 'hebben' als hulpwerkwoord
Heel vaak reflexief: 'zich kleden'. In dagelijks gebruik hoor je meestal 'aankleden' (scheidbaar werkwoord).
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Verleden tijd
ik
jij / je
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Gebiedende wijs
Aanvoegende wijs
Examples
De verpleegster kleedt de patiënt voorzichtig aan.
tegenwoordig, indicatief
Ik kleedde me snel om voor het sporten.
verleden, indicatief
Ze heeft zich mooi gekleed voor het feest.
voltooid tegenwoordig, indicatief
Keep learning
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.