Ik wil leren kloppen op de deur.
De klok is kloppend met de tijd.
De kloppende ritmes maken de muziek levendiger.
Ik heb op de deur geklopt.
ik
Ik klop op de tafel.
jij / je, u
Jij klopt de koeien naar huis.
hij, zij / ze, het
De jongen klopt de muren van het huis.
wij / we, jullie
Wij kloppen met de hamer op de spijker.
Ik klopte op de deur voordat ik naar binnen ging.
Jij klopte op mijn schouder om mijn aandacht te trekken.
Zij klopte op de tafel toen ze zenuwachtig was.
Wij klopten allemaal tegelijk op de deuren.
Klop op de deur voordat je binnenkomt.
Klopt de informatie voordat je het deelt.
Laat het zo zijn dat hij kloppe voor de klas.