Knappen
Auxiliary verb
hebben
zwak werkwoord (regelmatig)
'Knappen' kan zowel letterlijk (iets repareren) als figuurlijk (opknappen, beter worden) gebruikt worden. Informeel kan het ook betekenen 'iets snel afmaken' of 'iets aankunnen'.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
jullie
Examples
Ik knap mijn kamer elke zaterdag op.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Heb je die oude stoel al geknapt?
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij knapte van de rust tijdens zijn vakantie.
verleden tijd, aantonende wijs
Knap die klus snel op, we hebben niet veel tijd!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Het is belangrijk dat zij de taak knappe voordat de deadline verstrijkt.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.