(over het staatshoofd van een monarchie)
De koning houdt elk jaar een toespraak op Prinsjesdag.
Willem-Alexander is sinds 2013 de koning van Nederland.
De koning en de koningin bezoeken vandaag een school in Utrecht.
Vroeger had Nederland een koning die alle belangrijke beslissingen zelf nam.
(figuurlijk, over iemand die ergens in uitblinkt)
Messi wordt door veel fans gezien als de koning van het voetbal.
In de keuken is mijn vader echt de koning van de pastasauzen.
Na zijn derde titel op rij noemde de krant hem de koning van het wielrennen.
(in kaart- of bordspellen)
Ik speelde de koning van harten en won het spel.
In het schaken verlies je zodra je koning schaakmat staat.
Mijn oma legde de koning boven de dame en pakte de slag.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.