Ik wil leren hoe ik bier kan koppen.
ik
Ik kop het bier in een glas.
jij / je, u
Je kopte de juiste hoeveelheid.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij koppen hun drankjes voor het feest.
Ik kopte de flessen eerder vanavond.
Zij kopten veel flessen op het feest.
De barman is koppend aan het werk.
De koppende schoonmaker zorgt voor een nette bar.
De flessen zijn al gekopt door de barman.
Kop het bier, alstublieft.
Kopt het nu, dat is belangrijk!
Ik wens dat je goed koppe met de flessen.