Hij wil leren zwemmen zodat hij zelfstandig kan zwemmen.
ik
Ik kan goed koken.
jij / je
Kan je straks de tafel dekken?
u
Kunt u de deur voor mij openmaken?
hij, zij / ze, het
Het kind kan al fietsen zonder zijwieltjes.
wij / we, jullie
We kunnen samen naar de film gaan.
zij / ze
Zij kunnen heel hard lopen.
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
Hij kon gisteren niet naar de les komen.
wij / we, jullie, zij / ze
We konden niet op tijd vertrekken door de file.
Hij heeft het altijd al gekund, maar wilde het niet doen.
Als kunnend zanger moet hij dagelijks oefenen.
Dat ik het toch maar zou kunne!
Kan je dat even halen? (used informally)