(bij het verdelen of aanduiden van hoeveelheden)
Een kwart van de leerlingen was ziek vandaag.
Hij heeft het huis voor een kwart in bezit.
Snijd de taart in vier kwarten.
Bijna een kwart van de Nederlanders woont in een grote stad.
(bij het aangeven van tijd op de klok)
We vertrekken om kwart voor negen.
Het is nu kwart over twee.
De trein komt om kwart over zeven aan.
Ik heb tot kwart voor vijf moeten wachten.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.