hebben
werkwoord
Ik houd ervan om te lachen als ik een grappige film kijk.
De kinderen lopen lachend de speeltuin in.
De lachende mensen in het park maken me vrolijk.
ik
Ik lach altijd om zijn grappen.
jij / je
Jij lacht om de situatie.
u
U lacht over de verhalen die ik vertel.
hij
Hij lacht om de grappige film.
zij / ze
Zij lachen heel hard om de mop.
het
Het kind lacht vrolijk.
wij / we
Wij lachen samen tijdens het feest.
jullie
Jullie lachen altijd tijdens de les.
Ik lachte om de grap die hij vertelde.
Jij lachte ook om de film.
U lachte op onze bruiloft.
Hij lachte heel hard toen hij het boek las.
Zij lachten om de oude herinneringen.
Het hondje lachte als het speelde.
Wij lachten samen aan tafel.
Jullie lachten tijdens de wedstrijd.
We hebben veel gelachen tijdens het feest.
Lach en geniet van het moment!
Laten we hopen dat we veel lache in de toekomst.