Ik gebruik laken om de verf te mengen.
De kunstenaar is lakend met felgekleurde verf.
De lakende schilder maakt prachtige kunstwerken.
ik
Ik laak de slechte omstandigheden in de fabriek.
jij / je
Jij laakt de kleuren in deze schilderij.
u
U laakt de onrechtvaardigheid in de maatschappij.
hij, zij / ze, het
Hij laakt de manier waarop de dingen gaan.
wij / we
Wij laken het gebrek aan communicatie.
jullie
Jullie laken de situatie rondom het project.
Ik laakte de slechte service bij het restaurant.
Jij laakte de presentatie van je collega.
U laakte de omstandigheden van de bijeenkomst.
Zij laakte de manier waarop men met het probleem omging.
Wij laakten de beslissing van de directeur.
Jullie laakten de veranderingen in het beleid.
De gelaakte fouten zijn inmiddels gecorrigeerd.
Ik hoop dat je geen fouten lake in je rapport.
Laak de slechte gewoonten van anderen.