(onderwijs, beroep)
Mijn leraar Nederlands legt de grammatica altijd heel duidelijk uit.
De nieuwe leraar is streng, maar hij geeft wel leuke lessen.
De leraar is vandaag ziek, dus we hebben een invaller.
Elke leraar op onze school heeft zijn eigen manier van lesgeven.
Mijn favoriete leraar is vorig jaar met pensioen gegaan.
De wiskundeleraar kwam te laat, want zijn fiets had een lekke band.
Vroeger was meneer De Wit mijn leraar geschiedenis op het gymnasium.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(cursus, instructie)
Mijn leraar piano zegt dat ik elke dag minstens een half uur moet oefenen.
De rijleraar liet me vandaag voor het eerst op de snelweg rijden.
Mijn judoleraar traint al dertig jaar kinderen in de dojo.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.