(mam, lieve mam, dag mam)
Hoi mam, hoe gaat het?
Mam, kun je me even ophalen?
Mam, waar zijn mijn schoenen?
Dankjewel voor alles, mam.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(mijn mam, mam is thuis)
Mijn mam kookt vanavond pasta.
Mam heeft me naar school gebracht.
Mijn mam werkt in een ziekenhuis.
Mam was vroeger lerares op de basisschool.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.