Ik wil graag mogen helpen.
De mogend persoon kan niet worden gestoord.
Vandaag heb ik gemogen stemmen.
ik
Ik mag naar het feestje.
jij / je, u
Jij mag hier komen.
hij, zij / ze, het
Hij mag het boek lezen.
wij / we
Wij mogen samen werken.
jullie
Jullie mogen naar buiten.
Ik mocht gisteren niet uitgaan.
Jij mocht de hond uitlaten.
Zij mocht niet te laat komen.
Wij mochten blijven tot het einde.
Jullie mochten het spel spelen.
Moge jij gelukkig zijn.
jij / je
Jij mag beginnen.