(mijn jongste neef)
Mijn neef komt morgen op bezoek uit Utrecht.
Zijn neef is net twaalf jaar geworden en gaat naar de middelbare school.
Mijn neef woont bij ons om de hoek.
Gisteren speelde ik met mijn neefje in het park.
Ik heb mijn neef al een half jaar niet meer gezien.
(een verre neef)
Ik heb een neef die in Amerika woont en elke zomer op bezoek komt.
Wij zijn neven van elkaar, want onze moeders zijn zussen.
Zijn neef uit Rotterdam kwam onverwacht langs.
Tijdens de bruiloft ontmoette ik al mijn neven en nichten.
Hé neef, heb je zin om straks iets te drinken?
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.