NEDERLANDS
🇬🇧

O

AdjectiveA2

Attributive forms

Als je 'oud' gebruikt vóór een zelfstandig naamwoord, verandert de vorm soms. Voor 'de' of 'het' gebruik je 'oude': 'de oude auto'. Voor 'een' gebruik je 'oud': 'een oud huis'.

With definite article
With indefinite article
Without article

Predicative form

Na werkwoorden zoals 'zijn', 'worden' of 'blijven' gebruik je altijd 'oud'. Bijvoorbeeld: 'Deze boom is oud'.

Comparative

Om te zeggen dat iets meer is dan iets anders, gebruik je 'ouder'. Bijvoorbeeld: 'Mijn zus is ouder dan ik'. Je gebruikt 'dan' om het verschil aan te geven: 'ouder dan'.

Base form
With "dan"

Superlative

Om te zeggen dat iets het meest is van alles, gebruik je 'oudst' of 'oudste'. Na 'het' gebruik je 'oudste': 'het oudste kind'. Na 'is' gebruik je 'oudst': 'Hij is het oudst'.

Attributive
Predicative

Important notes

  • spelling:Het bijvoeglijk naamwoord 'oud' krijgt een '-e' in de attributieve vorm voor een bepaald lidwoord (de/het) of een bezittelijk voornaamwoord (mijn, jouw, etc.).
  • usage:'Oud' kan ook gebruikt worden om de leeftijd van mensen, dieren of dingen aan te geven. Bijvoorbeeld: 'Hoe oud ben jij?'

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.