(Praten over hoe je iets aanpakt of behandelt)
Je moet voorzichtig omgaan met dit oude boek.
Hij weet niet goed hoe hij met geld moet omgaan.
Je moet voorzichtig met dit glas omgaan.
Hij is goed leren omgaan met kritiek op zijn werk.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(Spreken over wie je vrienden of kennissen zijn)
Zij gaat veel om met collega's van haar werk.
Vroeger ging ik vaak met hem om, maar nu niet meer.
Met wie ga jij tegenwoordig om?
(Praten over hoe iemand met problemen leert leven)
Het is moeilijk om met verlies om te gaan.
Ze gaat heel sterk om met haar ziekte.
Ze ging heel goed om met de moeilijke periode na het ongeluk.
(Beschrijven dat een periode voorbij is)
Er gingen jaren om voordat ik haar terugzag.
De dagen gaan snel om als je het druk hebt.
Er zijn al twee weken omgegaan sinds onze laatste afspraak.
(Praten over verhalen of geruchten die circuleren)
Er gaan veel geruchten om op kantoor.
In het dorp gingen vreemde verhalen om over die familie.
Op het werk gaan steeds nieuwe roddels om.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.