(thuis een schilderij of jas een plek geven)
Ik hang het schilderij boven de bank op.
Wil je je jas even ophangen aan de kapstok?
Ik hang de foto van mijn kinderen aan de muur op.
Hang je jas maar daar op, dan zet ik koffie.
We hebben gisteren samen de kerstversiering opgehangen.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(einde van een telefoontje)
Sorry, ik moet ophangen, mijn trein komt eraan.
Hij hing boos op zonder iets te zeggen.
Ze hing op voordat ik kon antwoorden.
Wacht even, niet ophangen, ik zoek de gegevens op.
(wasdag in huis)
Mijn moeder hangt de was elke ochtend in de tuin op.
Heb jij de handdoeken al opgehangen?
De buurvrouw heeft de lakens al opgehangen.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.