Auxiliary verb hebben
werkwoord
kan zowel stoppen als tegenhouden betekenen, afhankelijk van context.
Infinitief
Ik wil stoppen met roken, ik moet echt ophouden.
Tegenwoordig deelwoord ik, jij / je, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Ze is een ophoudend persoon als het om haar taken gaat.
ik, jij / je, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Die ophoudende houding werkt niet in het team.
Tegenwoordige tijd ik
Ik zeg: hou op met zeuren!
jij / je
Jij moet echt even houd op met die grappen.
u
U houdt op als ik u vraag te stoppen.
hij
Hij houdt op met zijn slechte gewoonten.
zij / ze
Zij houdt op als ze een waarschuwing krijgt.
het
Het houdt op met regenen na een paar uur.
wij / we
Laten we zeggen: ‘wij hou op met de drukte.’
jullie
Jullie moeten hou op met praten tijdens de les.
Verleden tijd wij / we
Wij hielden op met werken toen het avond werd.
ik
Ik hield op met studeren voor de test.
jij / je
Jij hield op toen je dat hoorde.
hij
Hij hield op als de leraar binnenkwam.
zij / ze
Zij hield op met het project omdat ze tijd tekort kwam.
het
Het hield op met functioneren na een paar minuten.
wij / we
Wij hielden op met het werkuig, het was te laat.
jullie
Jullie hielden op met het spel toen het donker werd.
Voltooid deelwoord
Ik ben opgehouden met het volgen van dat programma.
Aanvoegende wijs
Het is belangrijk dat hij houde op met dit gedrag!
Ik wens dat hij ophoude met het slechte gedrag.
Gebiedende wijs jij / je
jij / je
Hou op met dat lezen en kom hier!
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.