Opruimen
VerbAuxiliary Verb
hebben
werkwoord
gebruikelijk in dagelijkse contexten
Infinitief
Ik moet mijn kamer opruimen.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik ruim mijn bureau op.
jij / je, u
Jij ruimt je kast op.
wij / we
Wij ruimen het huis samen op.
jullie
Jullie ruimen de tuin op.
hij, zij / ze, het
Het kind ruimt zijn speeltjes op.
Verleden tijd
ik
Ik ruimde mijn kamer gisteren op.
jij / je
Jij ruimde je bureau vanochtend op.
hij, zij / ze, het
Zij ruimde haar tuin op vorige week.
wij / we, jullie
Wij ruimden de woonkamer op tijdens het feest.
Voltooid deelwoord
De kamer is opgeruimd.
Tegenwoordig deelwoord
Ik ben voortdurend opruimend in huis.
Aanvoegende wijs
Ik hoop dat ik alles opruime.
Gebiedende wijs
Ruim je spullen op!