(iemand vragen ruimte te maken)
Ga eens opzij, ik kan er niet langs.
De mensen gingen opzij toen de ambulance aankwam.
Kun je even opzij gaan?
Iedereen ging opzij toen de koning voorbijliep.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(sparen of reserveren)
We leggen elke maand wat geld opzij voor de vakantie.
Zet die koekjes maar opzij voor morgen.
Ik heb vijftig euro opzij gelegd voor jouw cadeau.
Het bedrijf zet elk kwartaal budget opzij voor innovatie.
(richting of beweging)
Hij keek opzij om te zien wie er binnenkwam.
Ze stapte opzij om de fietser voorbij te laten.
Hou je hoofd recht, niet opzij draaien.
(iets laten rusten)
We moeten onze meningsverschillen even opzij zetten.
Zet je zorgen opzij en geniet van de avond.
Laten we de formaliteiten opzij schuiven en gewoon beginnen.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.