NEDERLANDS
🇬🇧

Overkomen

VerbA2

Auxiliary verb

zijn (voor 'overkomen' in de betekenis van 'gebeuren'), hebben (voor 'overkomen' in de betekenis van 'indruk maken')

onregelmatig werkwoord, scheidbaar werkwoord (in de betekenis van 'indruk maken')

'Overkomen' kan zowel 'gebeuren' als 'indruk maken' betekenen. In de betekenis van 'gebeuren' is het onscheidbaar, terwijl het in de betekenis van 'indruk maken' scheidbaar is.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

  • zij / ze

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

  • ik, jij / je, hij, zij / ze

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

  • ik, jij / je, hij, zij / ze, het

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Het overkomt me vaak dat ik mijn telefoon vergeet.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Zij kwam gisteren heel zelfverzekerd over tijdens haar presentatie.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Het is mij nog nooit overkomen dat ik een vliegtuig miste.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Kom over alsof je de baas bent!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.