(bij gevaar of schrikken)
Toen het brandalarm afging, brak er meteen paniek uit in het gebouw.
Ik voelde de paniek opkomen toen ik merkte dat mijn paspoort weg was.
De kinderen raakten in paniek toen ze hun moeder even kwijt waren.
Paniek is een natuurlijke reactie van het lichaam op plotseling gevaar.
Hij sloeg in paniek en rende zonder na te denken de deur uit.
(drukte of chaos)
Na het nieuws ontstond er paniek op de beurs en kelderden de koersen.
Er is geen reden voor paniek, we hebben nog genoeg tijd.
Op het station heerste paniek nadat alle treinen waren uitgevallen.
Geen paniek, jongens, we lossen dit gewoon rustig op.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.