(in het verkeer of bij een bestemming)
Ik parkeer mijn auto altijd voor de deur.
We hebben de fiets bij het station geparkeerd.
Waar kan ik hier parkeren?
Hij parkeert zijn auto altijd netjes tussen de lijnen.
Gisteren parkeerde ik per ongeluk voor een garage.
We hebben de auto in de parkeergarage geparkeerd.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(informeel, voor spullen of kinderen)
Kun je de boodschappen even in de gang parkeren?
Ze parkeerde de kinderen bij oma voor het weekend.
Parkeer je tas maar even op de stoel.
(in vergaderingen of gesprekken)
Laten we dit punt even parkeren en er later op terugkomen.
Die discussie hebben we voor nu geparkeerd.
Dat voorstel parkeren we tot na de zomer.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.