ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie,
Ik heb gepiemeld tijdens de les.
ik
Ik piemel in de tuin.
jij / je
Jij piemelt heel hard.
u
U piemelt mooi.
hij
Hij piemelt vaak thuis.
zij / ze
Zij piemelt tijdens het spelen.
het
Het piemelt een beetje hier.
wij / we
Wij piemelen samen.
jullie
Jullie piemelen altijd.
Piemel in de klas!
Piemelt niet in de kamer!
Ik piemelde gisteravond in het park.
Jij piemelde vroeger vaak.
Hij piemelde niet graag.
Zij piemelden met hun vrienden.
Wij piemelden in het verleden.
Jullie piemelden dat jaar.
Piemele vooral niet in de regen.
Ik hou van piemelen in de natuur.
Piemelend in de ochtend is fijn.
De piemelende kinderen waren vrolijk.