🇬🇧

Plannen

Auxiliary verb

hebben

regelmatig werkwoord

Het werkwoord 'plannen' wordt gebruikt om aan te geven dat iemand van tevoren nadenkt over hoe iets uitgevoerd moet worden. Het kan zowel voor persoonlijke als professionele situaties gebruikt worden.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik plan mijn huiswerk altijd op zondagavond.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Zij heeft een reis naar Spanje gepland.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Wij planden een verrassing voor onze ouders.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Plan je agenda voor de komende week!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.