Ik wil raden wat je denkt.
De kinderen zijn radend om de juiste antwoorden.
De radende groep viel op in de klas.
ik
Ik raad dat je het probeert.
jij / je
Jij raadt het altijd goed.
u
U raadt het juiste nummer.
hij, zij / ze, het
Hij raadt de goede film.
wij / we
Wij raden een boek aan.
jullie
Jullie raden vaak verkeerd.
Ik raadde de juiste kleur.
Jij raadde het juiste antwoord.
U raadde het niet goed.
Hij raadde de spaarpot.
Wij raadden de juiste keuze niet.
Jullie raadden het spel niet.
Ik ried dat je het gedaan had.
Zij ried de klank van de muziek.
Wij rieden dat het tijd was.
Jullie rieden de woorden niet goed.
Hij heeft de puzzel al geraden.
raad goed voordat je antwoordt.
Raadt eens wat ik heb gekocht!
Ik hoop dat hij ook raade.