Ik kan ramen openen.
De ramend is open terwijl de zon schijnt.
De ramende jongen keek naar buiten.
Raam open, alsjeblieft!
Raamt niet zo hard!
ik
Ik raam de foto in.
jij / je
Jij raamt het schilderij mooi.
u
U raamt de documenten in het kantoor.
hij
Hij raamt zijn werk zorgvuldig.
zij / ze
Zij raamt graag kleurrijke afbeeldingen.
het
Het raam is open.
wij / we
Wij ramen de bestanden in mappen.
jullie
Jullie ramen de foto's voor de tentoonstelling.
Ik raamde het schilderij gisteren.
Jij raamde de documenten vorig jaar.
U raamde het project met zorg.
Hij raamde de foto vroeger.
Zij raamde de tekens in het verleden.
Het raamde mooi af.
Wij raamden de projecten samen.
Jullie raamden de schilderijen in de galerie.
Het schilderij is al geraamd.
Rame het schilderij goed, alsjeblieft!