Ik wil leren rijven.
De student is rijvend aan het werk.
De rijvende kunstenaar gebruikt nieuwe technieken.
ik
Ik rijf de kaas voor mijn pasta.
jij / je, u
Jij rijft de boter op het brood.
wij / we, jullie
Wij rijven de huid met een speciale crème.
hij, zij / ze, het
Hij rijft zijn handen met afwasmiddel.
Gisteren reef ik de oude verf van de muur.
wij / we
Wij reven de schimmel van het hout.
Jij rijfdde de mosterd op het brood.
Zij rijfdde de voeding voor het feest.
jullie
Jullie rijfdde de pasta voor de saus.
De kaas is gerijfd voor de maaltijd.
Het beeld is gereven door de kunstenaar.
Rijf de boter goed op het brood.
Rijft de huid met deze crème.
Moge hij rijve zijn hart tegen de kou.