Ik wil rusten na een lange dag.
De hond ligt rustend op de bank.
De rustende student leest een boek.
ik
Ik rustte een uur tijdens mijn pauze.
jij / je, u
Jij rustte veel na de operatie.
hij, zij / ze, het
Hij rustte in de tuin.
wij / we, jullie, zij / ze
Wij rustten samen op het strand.
Ik ben gerust dat alles goed gaat.
Hij is rustend op de bank.
Rust nu, je hebt het verdiend!
Als ik maar ruste voor de vergadering.