Ik wil schreeuwen als ik blij ben.
De schreeuwende kinderen spelen in de tuin.
Hij heeft hard geschreeuwd om hulp.
ik
Ik schreeuw van blijdschap.
jij / je
Jij schreeuwt te hard in de klas.
u
U schreeuwt heel mooi tijdens het concert.
hij
Hij schreeuwt als hij het spel verliest.
zij / ze
Zij schreeuwt van de pijn.
het
Het schreeuwt om aandacht.
wij / we
Wij schreeuwen voor ons favoriete team.
jullie
Jullie schreeuwen wanneer de film spannend is.
Ik schreeuwde toen ik de verrassing zag.
Jij schreeuwde gisteren in de winkel.
U schreeuwde heel luid tijdens het evenement.
Hij schreeuwde om hulp toen hij verdwaald was.
Zij schreeuwde van blijdschap op het feestje.
Het schreeuwde in de boom.
Wij schreeuwden samen in de zaal.
Jullie schreeuwden van plezier.
Maak dat je schreeuwe om gehoord te worden!
Schreeuw harder als je wilt dat ze je horen!