Ik wil leren schrijven in het Nederlands.
ik
Ik schrijf elke dag in mijn dagboek.
jij / je
Jij schrijft een mooi verhaal.
u
U schrijft een brief aan uw vriend.
hij
Hij schrijft een e-mail naar zijn leraar.
zij / ze
Zij schrijft goed Nederlands.
het
Het schrijft snel in de juiste lijnen.
wij / we
Wij schrijven een artikel voor de krant.
jullie
Jullie schrijven samen een boek.
Ik schreef gisteren een brief.
Jij schreef een prachtig verhaal.
U schreef een belangrijke e-mail.
Hij schreef een artikel voor de krant.
Zij schreef in het weekend.
Wij schreven samen aan ons project.
Jullie schreven een verslag voor school.
Het schreef dat het meer tijd nodig had.
De brief is geschreven door mijn zus.
Schrijvend aan zijn boek, vergeet hij de tijd.
De schrijvende auteur woont in Amsterdam.
Als je tijd hebt, schrijve dan een brief.
Schrijf je naam onderaan het formulier.
Jullie schrijft de antwoorden onder elkaar.