Ik wil graag leren om te slaan.
De slaande kinderen zorgen voor veel geluid.
De jongen is slaand geweest tijdens het spel.
ik
Ik sla de bal over het net.
jij / je, u
Jij slaat de bal met kracht.
hij, zij / ze, het
Zij slaat de verkeerde toets op het keyboard.
wij / we, jullie
Wij slaan de handen ineen om samen te werken.
ik, hij, zij / ze
Ik sloeg de bal tijdens de wedstrijd.
Wij sloegen de handen ineen voor het goede doel.
De bal is geslagen door de speler.
Sla de bal goed om te winnen.
Het zou beter zijn als hij slaat.